0 items € 0,00

Zondagmorgen

01 augustus 2016 Kees & Elsbeth

Beste allemaal,
In m’n achteruitkijkspiegel zie ik dat de witte auto van Marcel mij nog steeds volgt. We hobbelen over het gehavende asfalt en ik probeer de gang erin te houden terwijl ik de grootste kuilen omzeil. Beide auto’s hebben hun beste tijd een beetje gehad, maar dat komt vandaag eigenlijk wel goed uit.
Wanneer we even later de ‘pasar baru’ (nieuwe markt) op draaien, lijkt het op het eerste gezicht uitgestorven. Dat is op zich een goed teken op zondagmorgen... Veruit de meeste Papua’s gaan op zondagochtend naar de kerk. Op een aantal na. Die voelt zich in een doorsnee kerk niet op zijn of haar gemak. Vanochtend proberen we juist die jongens en meiden onder Gods Woord te brengen. Zodra de auto’s stil staan, komen de eerste van hen aanzetten. Ongewassen, kauwend op de Sirih pruim, gescheurde kleren en geen blad voor de mond. Ze leven op straat. Slapen in de hoeken van de markt, in geparkeerde auto’s, in winkelportieken. Een jonge meid met een baby op haar arm, ja, die leeft ook op straat. Haar hele leven al. Ze wil niet eens anders. De meeste van deze jongeren trouwens ook niet. Ze kiezen hier bewust voor. Althans, dat zeggen ze.
Marcel kennen ze wel. Hij woont en werkt in Wamena voor OMF (Overseas Mission Fellowship) en komt hier elke zondag om een hele groep per auto naar ‘de kerk’ te brengen. Het is de kerk van Neri. Neri, bij wie je de bewogenheid met deze kinderen en jongeren bijna uit z’n oren ziet komen. “Hé, wie ligt daar in de hoek nog te slapen?” Hij loopt er naar toe. “Kom op, wakker worden! Het is zondagochtend en je kan mee naar de ‘ibadah’ (aanbidding). Ja, de pot met lijm neem je maar mee, die pak ik niet af. Alleen als je in mijn opvanghuis wil komen wonen, moet je stoppen met lijm snuiven.”
Het duurt niet lang of de twee auto’s zitten vol. “Eerst de kleintjes!” roept een knul die zich duidelijk bij de ‘groten’ voelt horen. “Die moeten nog naar de zondagschool!” Nadat ik een volle auto met jochies van tussen de 8 en 14  jaar heb weggebracht, doe ik nog een tweede rit met jongeren van 14 tot 24 jaar. Ik breng ze allemaal naar de kerk van Neri: een gebouwtje van ruwe houten palen met zink ertegenaan getimmerd. Er zit geen vloer in. Op de grond ligt vers gras. Achterin is een vuurplaats waar de vrouw van Neri druk aan het koken is op een houtvuur. “Ze krijgen na de dienst allemaal een bord eten voordat ze weer vertrekken.” Met een lach: “Ik denk eigenlijk dat ze vooral daarom komen, maar ze krijgen Gods Woord er gewoon bij.”
Inmiddels hebben een paar jongens de microfoon die bij de versterker staat, gevonden en beginnen alvast uitbundig te zingen. Ze zitten niet stil en genieten zichtbaar! Het zijn vooral Dani liederen die ik niet versta, behalve de naam Jezus, die ik steeds hoor. Ik besef ineens dat ik in Zijn huis sta en helemaal niet in het rokerige huis van Neri met gras op de grond. Een onderdeel van een gebouw dat niet met handen gemaakt is, waarvan Christus het Hoofd is!
Het is al bijna kwart voor negen. Dankbaar en verwonderd ga ik naar huis om met Elsbeth en de kinderen naar ‘onze kerk’ te gaan.
Het is geen verhaal over vliegtuigen deze keer, maar wel over de dagelijkse realiteit in Wamena waar we graag wat over wilden delen.